ECLI:NL:RVS:2019:966
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning wegens verbreking huwelijk
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 21 oktober 2016 de verblijfsvergunning van de vreemdeling in en stelde de ingangsdatum van de intrekking op 10 december 2015. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde dat de intrekking onterecht was vastgesteld op die datum. De rechtbank bepaalde in eerste aanleg dat de intrekking pas op 9 augustus 2016 inging, omdat de vreemdeling toen de woning zou hebben verlaten.
De staatssecretaris ging tegen dit oordeel in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de intrekking op een latere datum had vastgesteld dan de juridische verbreking van het huwelijk, die op 13 juli 2016 door de rechter was uitgesproken. De Afdeling stelde dat de bevoegdheid tot intrekking ontstaat op het moment van feitelijke of juridische verbreking van het huwelijk, waarbij de juridische verbreking niet later kan zijn dan de uitspraak van echtscheiding.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De inschrijving in de Basisregistratie Personen op het adres van de echtelijke woning is niet doorslaggevend voor het bepalen van het moment van verbreking van het huwelijk. De Afdeling bevestigde dat de intrekking van de verblijfsvergunning terecht is vastgesteld op 10 december 2015, de datum waarop de feitelijke verbreking van de gezinsband aannemelijk is geworden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met ingang van 10 december 2015 gehandhaafd.