ECLI:NL:RVS:2020:1092

Raad van State

Datum uitspraak
22 april 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
202002404/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot behandeling hoger beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring

De vreemdeling is bij besluit van 31 januari 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 3 april 2020 het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de uitspraak van de rechtbank betrekking heeft op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring, waarop volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep mogelijk is. Het hoger beroep kan slechts worden doorbroken indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet het geval is.

Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door lid van de enkelvoudige kamer H.G. Sevenster en griffier M.E. van Laar op 22 april 2020.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

202002404/1/V3.
Datum uitspraak: 22 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 april 2020 in zaak nr. NL20.6630 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.    Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3.    De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Van Laar
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020
765.