ECLI:NL:RVS:2020:1149
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak dwangsom wegens niet tijdig besluit AVG-verzoek
Op 13 augustus 2018 verzocht de wederpartij de minister van Justitie en Veiligheid en de minister voor Rechtsbescherming om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG Pro. Op 11 september 2018 stuurde de minister voor Rechtsbescherming een ontvangstbevestiging en verlengde de termijn voor besluitvorming met twee maanden. De minister van Justitie en Veiligheid nam echter geen besluit, waarop de wederpartij hem op 20 oktober 2018 in gebreke stelde.
De minister stelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de brief van 11 september mede namens hem was bedoeld. De rechtbank oordeelde echter dat deze brief niet als mededeling van de minister van Justitie en Veiligheid kon worden beschouwd en dat de ingebrekestelling terecht was. De minister ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief alleen namens de minister voor Rechtsbescherming was ondertekend en dat niet uit de brief bleek dat deze ook betrekking had op het verzoek aan de minister van Justitie en Veiligheid. Daarom was de ingebrekestelling niet prematuur en was de minister een dwangsom verschuldigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betalen van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister van Justitie en Veiligheid wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.