Uitspraak
Datum uitspraak: 29 april 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Bij besluit van 30 april 2018 wees het college van burgemeester en wethouders van Montfoort het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de bouw en het gebruik van een rustende-boer-eenheid af. Appellant stelde dat de inhoud van de woningen groter was dan toegestaan en dat er geen sprake was van een rustende-boer situatie. Hij verzocht het college een onderzoek in te stellen en handhavend op te treden.
Het college verwees naar een lopende procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak en een eerder besluit van 27 december 2017 waarin een handhavingsverzoek was afgewezen omdat de inhoud van de woningen niet groter was dan vergund. Tegen dat besluit was geen bezwaar gemaakt, waardoor het rechtsgeldig vaststond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bouwvergunning van 2010 onterecht was verleend en dat de inhoud van de woningen groter was dan toegestaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die handhaving rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep van appellant af. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbenden vervalt daarmee. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.