Uitspraak
Datum uitspraak: 6 mei 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht weigerde op 31 oktober 2017 een omgevingsvergunning aan appellant voor het legaliseren van kamerverhuur op de begane grond van zijn pand. Appellant was eigenaar sinds 2006 en verhuurde kamers aan studenten zowel op de begane grond als op de verdiepingen. Eerder verleende het college een vergunning voor verbouwing en legalisering van kamerverhuur op de verdiepingen.
Appellant stelde dat wonen op de begane grond was toegestaan als bestaand gebruik, en dat de vermelding van 'Kantoor' in bijlage 3 van het bestemmingsplan een fout was. Ook voerde hij aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom een woonfunctie op de begane grond niet aanvaardbaar was en dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door vergelijkbare gevallen anders te behandelen.
De rechtbank oordeelde dat wonen op de begane grond niet was toegestaan volgens het bestemmingsplan, omdat de bestaande functie 'Kantoor' was en kamerverhuur op de begane grond daarmee in strijd was. De Raad van State bevestigde dit oordeel en vond dat het college voldoende had gemotiveerd waarom het woongebruik niet planologisch aanvaardbaar was, mede vanwege het gemeentelijk beleid dat een publieksgerichte functie op de begane grond vereist. De aangehaalde vergelijkbare gevallen waren niet vergelijkbaar omdat daar geen omgevingsvergunningen voor bewoning op de begane grond waren verleend.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning voor kamerverhuur op de begane grond wordt bevestigd.