ECLI:NL:RVS:2020:1208

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2020
Publicatiedatum
12 mei 2020
Zaaknummer
202001062/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf

Bij besluit van 31 januari 2018 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat bij besluit van 14 mei 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in het vonnis.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen. De Raad van State constateerde dat het door de rechtbank vastgestelde motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek eenvoudig kan worden hersteld.

Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 13 mei 2020.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

202001062/1/V2.
Datum uitspraak: 13 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 in zaak nr. 19/4406 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. T.J.J.M. Wijngaard, advocaat te Haarlem, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De staatssecretaris komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Prins
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2020
837.