ECLI:NL:RVS:2020:1234
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling tegen weigering verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 18 december 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 9 april 2019 het besluit vernietigde en de zaak terug verwees.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro over het recht op eerbiediging van het privéleven. De staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de strafbare feiten van de vreemdeling niet als 'very serious reasons' had aangemerkt om het verblijf te weigeren.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onjuist had aangesloten bij de glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat deze maatstaf te beperkt was voor de beoordeling van een nieuwe aanvraag na intrekking van een verblijfsvergunning. Gezien de strafbare feiten, het zwervend bestaan en het ontbreken van een arbeidsverleden, en het feit dat de vreemdeling in Marokko kan overleven, is het standpunt van de staatssecretaris dat er 'very serious reasons' zijn om de aanvraag te weigeren, niet onredelijk.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.