ECLI:NL:RVS:2020:1245

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2020
Publicatiedatum
20 mei 2020
Zaaknummer
202000342/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een vreemdelingenzaak. De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij gedwongen Nederland zou moeten verlaten terwijl het hoger beroep nog liep.

Tijdens de procedure trok de staatssecretaris het besluit van 10 februari 2020 in, waarin het bezwaar van de vreemdeling ongegrond was verklaard en het verblijfsrecht was beëindigd. Hierop trok de vreemdeling zijn verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking van het besluit een tegemoetkoming was als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet langer nodig was. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van €525 aan proceskosten na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

202000342/2/V3.
Datum uitspraak: 20 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikelen 8:84 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht).
Procesverloop
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 17 januari 2020 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 december 2019 in zaak nr. 19/3266. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 10 maart 2020 heeft de vreemdeling het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Op verzoek van de Afdeling heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.    Hangende hoger beroep heeft de staatssecretaris bij besluit van 10 februari 2020 het door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Uit dat besluit volgde dat de vreemdeling geen verblijfsrecht meer had in Nederland, hij zelf verantwoordelijk was voor zijn vertrek en dat het indienen van beroepsgronden deze rechtsgevolgen niet zou opschorten. Daarom heeft de vreemdeling een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Vervolgens heeft de staatssecretaris het besluit van 10 februari 2020 ingetrokken, waarna de vreemdeling zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft ingetrokken. Omdat het verzoek erop was gericht te voorkomen dat hij gedwongen zou zijn Nederland te verlaten terwijl het hoger beroep nog aanhangig is, is de staatssecretaris hem met de intrekking van het besluit tegemoet gekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Het verweerschrift van de staatssecretaris biedt geen reden hierover anders te oordelen.
2.    Het verzoek wordt toegewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Annen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020
765-873.