ECLI:NL:RVS:2020:127
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 24 september 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen het voortduren van de maatregel van bewaring zoals bedoeld in artikel 96 van Pro die wet.
De Afdeling stelde vast dat het verbod op hoger beroep alleen doorbroken kan worden indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet het geval was. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring.