ECLI:NL:RVS:2020:1282
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 februari 2018 aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de inconsistenties in de verklaringen over de nationaliteit en het verblijf in Soedan van vreemdeling 1 minimaal waren. De staatssecretaris had deze inconsistenties en de onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit van vreemdeling 1 voldoende gemotiveerd.
Daarnaast was het volgens de Raad terecht dat de staatssecretaris niet hoefde over te gaan tot DNA-onderzoek om de identiteit en familierechtelijke relatie van vreemdeling 2 te onderzoeken, omdat de identiteit van vreemdeling 1 niet was vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de staatssecretaris gegrond. Het beroep van de vreemdelingen werd alsnog ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.