ECLI:NL:RVS:2020:1299

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2020
Publicatiedatum
29 mei 2020
Zaaknummer
202002903/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering machtiging tot voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 5 december 2016 aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Na bezwaar heeft de staatssecretaris dit besluit op 26 september 2018 gehandhaafd. De rechtbank Den Haag heeft op 6 mei 2020 het beroep van de vreemdelingen gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen binnen vier weken de machtiging te verstrekken.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. De vreemdelingen gaven een schriftelijke reactie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van de staatssecretaris en de vreemdelingen in dit stadium zwaarder wegen. Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de staatssecretaris de uitspraak niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is afgerond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202002903/2/V2.
Datum uitspraak: 29 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 mei 2020 in zaken nrs. 18/1298 en 18/1299 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 26 september 2018 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 mei 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en de staatssecretaris opgedragen binnen vier weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak de vreemdelingen in het bezit te stellen van de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdelingen naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geen uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank hoeft te geven voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop    w.g. Van Loon
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2020
393.