ECLI:NL:RVS:2020:1351
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris
De vreemdeling werd op 8 april 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 4 mei 2020 ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt namelijk dat sinds de inbewaringstelling geen controleerbare uitzettingshandelingen zijn verricht. Het enige vertrekgesprek vond pas op de 21ste dag van de bewaring plaats, en daarvan ontbreekt schriftelijke verslaglegging.
Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de bewaring met ingang van 5 juni 2020 opgeheven. Tevens wordt de vreemdeling een schadevergoeding van €4.665,00 toegekend over de periode van 8 april tot en met 4 juni 2020. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.575,00, toe te rekenen aan de rechtsbijstand van de vreemdeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris.