ECLI:NL:RVS:2020:1443

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2020
Publicatiedatum
22 juni 2020
Zaaknummer
202000029/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
  • H. Troostwijk
  • C.W. Wissels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste feitelijke beoordeling familieleven

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 september 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 9 april 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 5 december 2019 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank bij de beoordeling van het familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro uitging van een onjuiste feitelijke situatie. De rechtbank had aangenomen dat de kinderen van de vreemdeling in Nederland woonden, terwijl dit niet met stukken was onderbouwd en de processtukken geen aanwijzingen bevatten dat 'cliënt' de vreemdeling betrof. Hierdoor was het oordeel van de rechtbank onjuist.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor nieuwe behandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.

Uitspraak

202000029/1/V2.
Datum uitspraak: 24 juni 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 december 2019 in zaak nr. 19/3207 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in de eerste twee grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over artikel 8 van Pro het EVRM. Door bij de beoordeling van het bestaan van familieleven tussen referent en de vreemdeling uit te gaan van in Nederland wonende kinderen van de vreemdeling - kleinkinderen van referent - heeft de rechtbank een onjuiste feitelijke situatie aan haar beoordeling ten grondslag gelegd, aldus de vreemdeling.
3.    In het aanvullend beroepschrift is betoogd dat andere kinderen van 'cliënt' in Nederland wonen. De rechtbank heeft 'cliënt' opgevat als de vreemdeling en overwogen dat niet met stukken is onderbouwd dat de kinderen van de vreemdeling (kleinkinderen van referent) in Nederland wonen. De processtukken bevatten echter geen aanwijzingen voor het oordeel van de rechtbank dat met 'cliënt' de vreemdeling wordt bedoeld. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat van de vreemdeling kinderen, en van referent kleinkinderen, in Nederland wonen, zodat wat de vreemdeling daarover heeft aangevoerd, niet tot een ander oordeel leidt. Bij de beoordeling of sprake is van door artikel 8 van Pro het EVRM beschermd familieleven, is de rechtbank dan ook van een onjuiste feitelijke situatie uitgegaan.
De grief slaagt.
4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 december 2019 in zaak nr. 19/3207;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.W. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Prins
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020
238.