ECLI:NL:RVS:2020:1443
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- C.W. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste feitelijke beoordeling familieleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 september 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 9 april 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 5 december 2019 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank bij de beoordeling van het familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro uitging van een onjuiste feitelijke situatie. De rechtbank had aangenomen dat de kinderen van de vreemdeling in Nederland woonden, terwijl dit niet met stukken was onderbouwd en de processtukken geen aanwijzingen bevatten dat 'cliënt' de vreemdeling betrof. Hierdoor was het oordeel van de rechtbank onjuist.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor nieuwe behandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.