ECLI:NL:RVS:2020:1581
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische urgentie
Appellant vroeg een urgentieverklaring aan voor een eigen woning na een echtscheiding waarbij de woning aan zijn ex-partner werd toegewezen. Hij woont momenteel in een kleine kamer bij een gezin, wat stress veroorzaakt door gebrek aan privacy en onzekerheid over de verblijfsduur. Appellant heeft cardiologische en psychische klachten en wenst een stabiele woonomgeving voor behandeling en het ontvangen van zijn zoon.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde de aanvraag voor aan de GGD, die adviseerde geen medische urgentie te constateren. Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de situatie van appellant geen recht geeft op urgentie en dat hij zelf woonruimte kan zoeken.
In hoger beroep betoogde appellant dat het GGD-advies onvoldoende inzicht gaf in de medische motivering. De Raad van State oordeelde dat het college op het advies mocht vertrouwen, aangezien het zorgvuldig tot stand was gekomen en de conclusies aansluiten bij de overwegingen. Het strikte urgentiebeleid richt zich op gezinnen met jonge kinderen die dakloos zijn of personen met ernstige medische problemen, criteria die appellant niet voldoet.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd wegens onvoldoende medische urgentie en het strikte urgentiebeleid.