ECLI:NL:RVS:2020:1588
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inzamellocatie huishoudelijk afval wegens onvoldoende motivering
Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees locaties aan voor het plaatsen van inzamelmiddelen voor huishoudelijk afval, waaronder een locatie in de Johan Metzelaarstraat. Appellante, wonende nabij deze locatie, maakte bezwaar vanwege ervaren overlast. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de aangewezen locatie de voorkeur kreeg boven de door appellante voorgestelde alternatieve locatie.
Naar aanleiding van deze tussenuitspraak nam het college een nieuw besluit op bezwaar waarin het bezwaar van appellante werd gegrond verklaard en de locatie werd verplaatst. Appellante kon zich met dit nieuwe besluit verenigen, waardoor het beroep van rechtswege werd ingetrokken.
De Raad van State verklaarde het oorspronkelijke besluit van 8 februari 2018 vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 8 februari 2018 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.