ECLI:NL:RVS:2020:1636
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens illegale houten berging in Zaandam
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad legde aan appellant een last onder dwangsom op wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een houten berging op een perceel in Zaandam. De berging moest binnen 12 weken worden verwijderd, bij niet-naleving volgde een dwangsom van €2.500.
Appellant stelde dat de berging vergunningsvrij was omdat deze in het achtererfgebied zou zijn geplaatst, en dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de berging niet vergunningsvrij was omdat de voorgevel verspringt en het smalle geveldeel onderdeel is van de hoofdmassa, waardoor de berging niet in het achtererfgebied ligt. Ook werden de bezwaren over het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel verworpen.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De feitelijke situatie bepaalt de voorgevel, waarbij het smalle geveldeel niet als ondergeschikte uitbouw geldt. Het college heeft terecht gehandhaafd omdat geen concrete zicht op legalisering bestaat en het handhavingsbeleid geen gelijke gevallen onrechtvaardig behandelt. Het beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het zonder vergunning bouwen van een houten berging wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.