ECLI:NL:RVS:2020:164
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste strafduur
De staatssecretaris heeft op 23 juli 2018 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, hem opgedragen Nederland te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat de strafduur onjuist was berekend omdat niet de duur van de vervangende jeugddetentie, maar de duur van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige had moeten worden betrokken.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van een gevangenisstraf van negentien maanden en dat de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige niet mag worden meegeteld bij de berekening van de strafduur volgens artikel 3.86, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten voor intrekking van de verblijfsvergunning.
De Raad van State vernietigt daarom het besluit van 23 juli 2018 en de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De overige aangevoerde grieven leiden niet tot verdere vernietiging en behoeven geen nadere motivering.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onjuiste strafduurberekening.