ECLI:NL:RVS:2020:1650
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor onrechtmatig onttrekken van woonruimte aan bestemming tot bewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde appellant een boete op van €20.500,- wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Appellant beheerde de woning en bood deze via een website aan voor vakantieverhuur. Na meldingen en een onderzoek constateerde de gemeente dat de woning werd verhuurd aan toeristen en niet permanent bewoond werd.
Appellant maakte bezwaar tegen de boete en stelde onder meer dat de rechtbank ten onrechte hem als overtreder had aangemerkt en dat de brief aan de eigenaar op het adres bewijs was van permanente bewoning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de boete terecht was opgelegd. De aanwezigheid van een brief aan de eigenaar was onvoldoende om permanente bewoning aan te nemen. De rol van appellant als professioneel makelaar en gastheer was doorslaggevend voor zijn aansprakelijkheid. Zijn stelling dat zijn account was gehackt werd niet aannemelijk gemaakt. Ook werd zijn verzoek tot matiging van de boete vanwege onvoldoende draagkracht afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €20.500,- wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte.