ECLI:NL:RVS:2020:1677
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen plaatsingsplan ondergrondse afvalcontainers in Arnhem
Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem stelde op 8 mei 2019 een plaatsingsplan vast voor ondergrondse afvalcontainers (OAC’s), waaronder een locatie tegenover de woning van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze locatie, dat door het college op 12 september 2019 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak toetste of het college de locatiekeuze redelijk had gemaakt, met name of de locatie geschikt was en of er een zodanig geschikter alternatief bestond. Het college motiveerde de noodzaak van de OAC’s vanwege het inzamelsysteem 'Omgekeerd Inzamelen' en de behoefte van bewoners nabij hoogbouw.
Appellant voerde aan dat de locatie onaanvaardbare stank- en geluidshinder zou veroorzaken, dat bijplaatsing van afval en zwerfafval zou toenemen en dat er geschiktere alternatieve locaties waren. De Afdeling oordeelde dat het college de hinder voldoende had beperkt, de afstand tot de woning 12 meter bedroeg en dat de genoemde alternatieven niet zodanig geschikter waren dat het college niet redelijk had kunnen kiezen voor de aangewezen locatie.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het plaatsingsplan van kracht zoals vastgesteld door het college van Arnhem.
Uitkomst: Het beroep tegen het plaatsingsplan voor ondergrondse afvalcontainers is ongegrond verklaard.