ECLI:NL:RVS:2020:184
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek uitbreiding voorrangsverklaring naar eengezinswoning met tuin
Appellant, woonachtig in een portiekwoning met haar drie kinderen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer om een voorrangsverklaring voor een eengezinswoning met tuin vanwege sociale en medische omstandigheden. Zij stelde dat haar ex-partner een bedreiging vormt en dat haar middelste kind een ontwikkelingsachterstand heeft, wat rust en ruimte vereist.
Het college kende aanvankelijk een voorrangsverklaring toe voor een beperkt zoekprofiel, dat later werd uitgebreid met maisonnette en benedenwoning. Appellant betwistte dit en voerde aan dat een eengezinswoning noodzakelijk is. Diverse deskundigen, waaronder een kinderarts, orthopedagoog en klinisch psycholoog, bevestigden de behoefte aan eigen kamers en rust, en gaven aan dat een tuin wenselijk is, maar niet medisch noodzakelijk.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat een eengezinswoning met tuin medisch of sociaal noodzakelijk is en dat het college voldoende rekening hield met haar situatie binnen het toegekende zoekprofiel. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Tevens is geoordeeld dat het college niet verplicht was een nieuwe deskundige te raadplegen en dat de rechtbank terecht geen deskundige benoemde.
De Afdeling concludeert dat de belangen van appellant voldoende zijn meegewogen en dat het besluit van het college niet onzorgvuldig of onrechtmatig is genomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.