ECLI:NL:RVS:2020:1844
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ingangsdatum verblijfsvergunning asiel wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had asielaanvragen van drie vreemdelingen aanvankelijk afgewezen, maar verleende later verblijfsvergunningen met ingangsdata in 2017. De rechtbank stelde bij uitspraak de ingangsdata vast op 15 februari 2017 voor vreemdelingen 1 en 2 en op 3 augustus 2017 voor vreemdeling 3. De vreemdelingen stelden hoger beroep in tegen deze beslissing.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat vreemdeling 3 haar laatste asielaanvraag op 3 augustus 2017 heeft ingediend, terwijl uit een brief van 15 februari 2017 blijkt dat ook vreemdeling 3 toen al een aanvraag had ingediend. Daarnaast heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet eerder de eerdere afwijzingen zou heroverwegen op basis van nieuwe vertrouwelijke informatie.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak waarin de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien en bevestigt de rest. Tevens worden de besluiten van 30 april 2020 vernietigd omdat deze gebaseerd zijn op dezelfde ondeugdelijke motivering. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing waarbij de ingangsdatum van de verblijfsvergunningen ten minste op 15 februari 2017 moet worden gesteld, tenzij nieuwe informatie aanleiding geeft tot een eerdere datum.
Uitkomst: De ingangsdata van de verblijfsvergunningen asiel worden vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beslissing met correcte ingangsdata.