ECLI:NL:RVS:2020:1850

Raad van State

Datum uitspraak
5 augustus 2020
Publicatiedatum
31 juli 2020
Zaaknummer
201907763/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
  • E. Steendijk
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 23 september 2019 aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling, omdat Italië volgens hem verantwoordelijk was voor de opvang. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde de besluiten en beval nieuwe besluiten met inachtneming van de uitspraak.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak, waaronder de uitspraak van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986). De Raad nam ook rapporten en brieven over de situatie in Italië in beschouwing.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee wordt bevestigd dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de situatie in Italië geen aanleiding geeft tot individuele garanties voor opvang en zorg.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

201907763/1/V1.
Datum uitspraak: 5 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611 in het geding tussen:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluiten van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. F. Ben-Saddek, advocaat te Rotterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris heeft de aanvragen niet in behandeling genomen, omdat Italië daar volgens hem verantwoordelijk voor is. De rechtbank heeft in de onlangs door de president van het EHRM getroffen interim measures, het AIDA-rapport van 16 april 2019, het SFH/OSAR-rapport van 8 mei 2019 en de brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland van 26 augustus 2019, aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat voor bijzonder kwetsbare personen individuele garanties nodig zijn om te waarborgen dat de noodzakelijke opvang- en zorgvoorzieningen in Italië aanwezig zijn.
2.    Wat de staatssecretaris in de enige grief aanvoert, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. Zie de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986. Uit wat de Afdeling onder 10.1 en 10.2 van die uitspraak heeft overwogen, volgt dat de staatssecretaris terecht aanvoert dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voor Italië terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de door de president van het EHRM getroffen interim measures niet kunnen leiden tot een ander oordeel. Hierbij heeft de Afdeling het AIDA-rapport van 16 april 2019 en het recentere SFH/OSAR-rapport van 21 januari 2020 betrokken. De brief van het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan die die de Afdeling reeds heeft beoordeeld.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611;
III.    verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020
282-938.