ECLI:NL:RVS:2020:194
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verval tenaamstelling voertuig wegens niet-identificeerbare carrosserie
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen het besluit van de RDW om de tenaamstelling van haar Jeep CJ7 te vervallen te verklaren omdat het voertuigidentificatienummer (VIN) niet kon worden vastgesteld. De RDW stelde vast dat de carrosserie niet identificeerbaar was doordat het identificatieplaatje ontbrak en slijpsporen waren aangetroffen op het chassis, wat leidde tot gerede twijfel over de juistheid van de gegevens in het kentekenregister.
De appellant betoogde onder meer dat de RDW haar bevoegdheid had misbruikt door een strafrechtelijk onderzoek te starten zonder redelijk vermoeden van schuld, dat de RDW geen technisch onderzoek mocht verrichten op grond van Richtlijn 1999/37/EG, en dat zij niet verplicht was wijzigingen aan het voertuig te melden. Tevens voerde zij aan dat de carrosseriewijziging bekend was bij de RDW en dat het voertuigobjectief identificeerbaar was.
De Afdeling oordeelde dat de RDW terecht gebruik heeft gemaakt van haar bestuursrechtelijke bevoegdheid om onderzoek te doen bij gerede twijfel over de juistheid van het kentekenregister. Richtlijn 1999/37/EG stond het onderzoek niet in de weg. De verplichting tot melding van wijzigingen volgt uit de Wegenverkeerswet en was voldoende kenbaar gemaakt via brochures en website. Het ontbreken van het identificatieplaatje op de carrosserie maakt het voertuig niet identificeerbaar, waardoor geen VIN kan worden vastgesteld. De vervallen verklaring van de tenaamstelling is daarmee gegrond.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt het vervallen verklaren van de tenaamstelling van het voertuig wegens het ontbreken van een vast te stellen voertuigidentificatienummer.