ECLI:NL:RVS:2020:1950
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 21 oktober 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris op 18 juni 2019, heeft de rechtbank Den Haag op 12 mei 2020 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank bepaalde dat de staatssecretaris binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en achtte de belangen van de staatssecretaris zwaarder wegen.
Daarom werd bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren voordat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.