ECLI:NL:RVS:2020:1992
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Verklaring omtrent het gedrag wegens verdenking poging doodslag en zware mishandeling
Appellant verzocht op 14 maart 2019 om een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor werkzaamheden als verkeersregelaar. De minister voor Rechtsbescherming wees dit verzoek op 20 mei 2019 af omdat appellant binnen de vierjarige terugkijktermijn in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) geregistreerd stond als verdachte van poging doodslag en poging zware mishandeling op 24 november 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing op 8 oktober 2019 ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de verdenking onterecht was en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom sprake was van een redelijke verdenking. Tevens voerde hij aan dat hij zelf ook aangifte had gedaan en dat uit verklaringen van de reclassering en begeleiders een positieve ontwikkeling bleek.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht het objectieve criterium toepaste, waarbij het risico voor de samenleving bij herhaling van het strafbare feit een belemmering vormt voor het uitoefenen van de functie als verkeersregelaar. De minister had voldoende gemotiveerd dat sprake was van een redelijke verdenking. Het subjectieve criterium leidde niet tot een andere uitkomst, omdat het belang van de samenleving zwaarder woog dan het belang van appellant bij afgifte van de VOG. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG vanwege een redelijke verdenking van poging doodslag en zware mishandeling binnen de terugkijktermijn.