ECLI:NL:RVS:2020:202
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- H. Troostwijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van last onder dwangsom voor lozing verontreinigd hemelwater en afzeilen containers
De zaak betreft een hoger beroep van [appellante] tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bevoegd achtte om handhavend op te treden tegen overtredingen op het perceel van [appellante]. Het college had drie lasten onder dwangsom opgelegd, waarvan de rechtbank het besluit over de eerste last (diffuse stofemissie) herroepen heeft, maar de tweede en derde last in stand heeft gelaten.
De tweede last betreft het voorkomen van lozing van zeer ernstig verontreinigd hemelwater op het schoonwaterriool, met een dwangsom bij overtreding. De derde last betreft het afzeilen van zeecontainers met smelterconcentraat. De rechtbank oordeelde dat het lozen van verontreinigd hemelwater niet was aangevraagd in de omgevingsvergunning en dat het college terecht kon handhaven op grond van de Wabo.
[Appellante] voerde aan dat het aanvraagformulier en de lozingssystematiek niet tot het oordeel mochten leiden dat sprake was van verontreinigd hemelwater, en dat emissiegrenswaarden uit het Activiteitenbesluit van toepassing waren. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierpen deze stellingen en bevestigden dat het lozen van verontreinigd hemelwater zonder vergunning een overtreding is.
De overige beroepsgronden van [appellante] zijn door de rechtbank gemotiveerd afgewezen en in hoger beroep niet voldoende onderbouwd. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de lasten onder dwangsom voor de tweede en derde last gehandhaafd blijven.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee de lasten onder dwangsom gehandhaafd blijven.