ECLI:NL:RVS:2020:2059
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep
De vreemdeling had bij de staatssecretaris een verzoek ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd bij besluit van 29 maart 2016 afgewezen en het bezwaar daarop werd bij besluit van 17 juni 2019 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten op 1 april 2020 ongegrond. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van de vreemdeling zwaarder wogen. Daarom werd bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
De uitspraak werd gedaan door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020. De griffier was mr. M. van Wezep.
Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.