ECLI:NL:RVS:2020:2061
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 13 maart 2020 werd de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring op 21 juli 2020 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het voortduren van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet vatbaar is voor hoger beroep volgens artikel 84, aanhef en onder a, van die wet. De vreemdeling heeft geen gronden aangevoerd die het verbod op hoger beroep doorbreken, zoals het ontbreken van een eerlijk proces.
Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring.