ECLI:NL:RVS:2020:209

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2020
Publicatiedatum
22 januari 2020
Zaaknummer
201903131/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boetes voor onttrekking woningen aan bewoning in Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 25 juli 2017 twee bestuurlijke boetes van elk €20.500,- op aan appellante wegens het onttrekken van twee woningen aan de bestemming tot bewoning zonder de vereiste omgevingsvergunning. De woningen waren gelegen aan twee locaties in Amsterdam en stonden ten tijde van het onderzoek leeg, zonder ingeschreven bewoners.

Na administratief en buitendienstonderzoek, waarbij bleek dat groepen onderaannemers tijdelijk in de woningen verbleven, verklaarde het college de bezwaren van appellante ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 12 maart 2019. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de zitting op 20 december 2019 werd het hoger beroep behandeld. Appellante herhaalde haar eerdere bezwaren, maar bracht geen nieuwe argumenten aan die de eerdere gemotiveerde afwijzing konden weerleggen. De Afdeling oordeelde daarom dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De Raad van State sprak het vonnis uit op 22 januari 2020.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boetes en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

201903131/1/A3.
Datum uitspraak: 22 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats] (land),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2019 in zaak nrs. 18/3039 en 18/3040 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluiten van 25 juli 2017 heeft het college aan [appellante] twee bestuurlijke boetes van elk een bedrag van € 20.500,00 opgelegd voor onttrekking van de woningen [locatie A] en [locatie B] in Amsterdam aan de bestemming tot bewoning.
Bij besluiten van 19 maart 2018 heeft het college de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2019 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I. de Roos, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lo Fo Sang, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    In het kader van het Project [locatie A], gestart naar aanleiding van meldingen over het gebruik van woningen in het complex [locatie A] in Amsterdam-Zuidoost, heeft de gemeente administratief en buitendienstonderzoek gedaan naar het gebruik van de woningen. Uit het administratief onderzoek is gebleken dat [appellante] sinds 14 maart 2014 eigenaar van de woning op het adres [locatie A] en sinds 17 oktober 2014 eigenaar van de woning op het adres [locatie B] is. Op beide adressen stond ten tijde van het onderzoek niemand ingeschreven in de basisregistratie personen. Beide woningen hebben de bestemming tot bewoning. Twee toezichthouders van de gemeente hebben op 15 juni 2017 een huisbezoek gebracht aan [locatie A] en op 20 juni 2017 aan [locatie B]. Uit de daarvan opgemaakte rapporten van bevindingen blijkt dat groepen Slowaakse onderaannemers, die onder meer voor [appellante] werkzaam waren, verblijf in de woningen van drie tot vier weken afwisselden met verblijf elders. Het college heeft naar aanleiding van het onderzoek aan [appellante] de boetes opgelegd, omdat de woningen aan de bestemming tot bewoning zijn onttrokken zonder de daartoe benodigde omgevingsvergunning.
2.    Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, is een letterlijke herhaling van de gronden die zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld en gemotiveerd weerlegd. [appellante] heeft in haar hogerberoepschrift noch ter zitting van de Afdeling aangevoerd waarom die weerlegging in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan wat in hoger beroep is aangevoerd niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4.            Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Klein
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2020
176-898.