De zaak betreft een echtpaar van Syrische nationaliteit dat verblijf in Nederland beoogt bij hun meerderjarige zoon, de referent. Na het overlijden van de vader richt de procedure zich op de mvv-aanvraag van de moeder. De staatssecretaris wees de aanvragen op 17 mei 2017 af en handhaafde dit besluit op bezwaar op 29 augustus 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 4 maart 2020 gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde bij besluit van 8 april 2020 het bezwaar opnieuw ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit besluit, net als het eerdere, ondeugdelijk was gemotiveerd. De staatssecretaris had onvoldoende rekening gehouden met het bestaan van meer dan normale emotionele banden tussen de moeder en haar zoon en de objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Syrië voort te zetten. Tevens was ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar ondanks gewijzigde omstandigheden, waaronder het feit dat de referent inmiddels werk heeft.
Het hoger beroep van de staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank werd ongegrond verklaard omdat het geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit van 8 april 2020 gegrond, vernietigde dat besluit en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van 8 april 2020 wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
202002076/1/V3.
Datum uitspraak: 2 september 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 maart 2020 in zaak nr. 19/6445 in het geding tussen:
[de vreemdelingen]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 29 augustus 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 8 april 2020 heeft de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben de vreemdelingen gronden ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over een echtpaar van Syrische nationaliteit, dat verblijf beoogt bij hun meerderjarige zoon (hierna: referent) in Nederland. De vader van referent is hierna komen te overlijden. Deze uitspraak gaat dus alleen nog over de mvv-aanvraag van de moeder (hierna: de vreemdeling).
2. De staatssecretaris heeft in zijn besluit van 29 augustus 2019, nadat de rechtbank het beroep van de vreemdeling voor de tweede keer gegrond heeft verklaard en het eerdere besluit heeft vernietigd, vastgesteld dat tussen de vreemdeling en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan. De staatsecretaris heeft de belangenafweging in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM echter in het nadeel van de vreemdeling laten uitvallen. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de staatssecretaris in zijn besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de belangenafweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen de persoonlijke belangen van de vreemdeling en het algemeen belang van de Nederlandse staat. Het hoger beroep van de staatssecretaris is tegen dit oordeel gericht.
Het hoger beroep van de staatssecretaris
3. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Het beroep van de vreemdeling tegen het nieuw genomen besluit
5. Het besluit van 8 april 2020 wordt in de beoordeling betrokken (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 vanPro de Awb). De Afdeling beoordeelt daarom dit beroep.
6. De vreemdeling betoogt terecht dat wat de staatssecretaris aan het besluit van 8 april 2020 ten grondslag heeft gelegd grotendeels gelijk is aan wat hij heeft aangevoerd in het hogerberoepschrift. Omdat het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, heeft de vreemdeling terecht aangevoerd dat het besluit van 8 april 2020 net als het besluit van 29 augustus 2019, nog altijd ondeugdelijk is gemotiveerd.
6.1. Verder heeft de vreemdeling terecht aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, gelet op de gewijzigde omstandigheden. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling het tijdsverloop en de omstandigheid dat referent inmiddels werk heeft. Daarnaast betoogt de vreemdeling terecht dat de staatssecretaris in zijn besluit onvoldoende in ogenschouw heeft genomen dat tussen de vreemdeling en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan en dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen.
7. Het beroep is gegrond. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het besluit van 8 april 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 8 april 2020, V-nummer […], gegrond;
III. vernietigt dat besluit;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 787,50 (zegge: zevenhonderdzevenentachtig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.