ECLI:NL:RVS:2020:2125
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering rechtbankuitspraak inzake machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 15 augustus 2016 aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure bleef het besluit ongewijzigd. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen binnen zes maanden DNA-materiaal te laten afstaan en een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en besloot daarom de voorlopige voorziening toe te kennen.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter G.M.H. Hoogvliet, die verhinderd was de uitspraak te ondertekenen. De voorlopige voorziening betekent dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.