Uitspraak
Datum uitspraak: 9 september 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft op 2 november 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast door de fiets van de minderjarige zoon van appellant te verwijderen bij het Jaarbeursplein in Utrecht. De fiets stond gevaarlijk geparkeerd nabij de uitgang van het WTC-gebouw, wat volgens het college hinder en belemmering van de doorstroming van het voetgangersverkeer veroorzaakte.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het college terecht spoedeisende bestuursdwang had toegepast vanwege de centrumlocatie, het drukke voetgangersverkeer en de mogelijke calamiteiten. Wel stelde de rechtbank dat appellant ten onrechte niet was gehoord in bezwaar, waardoor het besluit op bezwaar werd vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand bleven.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de fiets niet in een looproute stond, dat het beleid handhaving gevaarlijk gestalde fietsen niet was gevolgd en dat het ontbreken van waarschuwingsborden het handhavend optreden onrechtmatig maakte. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren en bevestigde dat het college bevoegd was tot handhaving en spoedeisende bestuursdwang.
Ook het beroep op de goede procesorde met betrekking tot de dwangsom werd afgewezen omdat appellant dit pas ter zitting had aangevoerd. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.