ECLI:NL:RVS:2020:2213

Raad van State

Datum uitspraak
11 september 2020
Publicatiedatum
11 september 2020
Zaaknummer
202004726/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 12 juli 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 20 augustus 2020 het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring niet-ontvankelijk is, omdat de Vreemdelingenwet 2000 in artikel 84, aanhef en onder a, expliciet bepaalt dat hiertegen geen hoger beroep openstaat. De enige uitzondering op dit verbod is indien er sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen in deze zaak niet is gebleken.

Daarom verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Tevens hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door lid N. Verheij, in aanwezigheid van griffier A.M. van Meurs-Heuvel, op 11 september 2020.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd het hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring te behandelen.

Uitspraak

202004726/1/V3.
Datum uitspraak: 11 september 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 augustus 2020 in zaak nr. NL20.15294 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 20 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.    Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3.    De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2020
765.