ECLI:NL:RVS:2020:2243
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bestuurlijke boete Arbeidsomstandighedenwet
Bij besluit van 4 december 2017 legde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellante een bestuurlijke boete van €8.100,- op wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Appellante maakte bezwaar, waarop de staatssecretaris op 25 oktober 2018 een besluit nam dat niet correct werd bekendgemaakt. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante gegrond en beval alsnog een besluit te nemen, waarna op 5 november 2018 het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het besluit van 5 november 2018 niet genomen had mogen worden omdat op 25 oktober 2018 al een besluit was genomen. De Afdeling oordeelde dat een beroep pas ontstaat bij bekendmaking van het besluit, welke bij het besluit van 25 oktober 2018 ontbrak. Verder stelde appellante dat zij benadeeld was doordat het primaire besluit niet aan haar gemachtigde was toegezonden, maar dit werd onvoldoende concreet onderbouwd.
Appellante stelde ook dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot heropening van het onderzoek had afgewezen en dat uitspraken niet in het openbaar waren gedaan. De Afdeling oordeelde dat het verzoek tot heropening discretionair is en dat het niet openbaar uitspreken van de uitspraak niet voldeed aan artikel 8:78 Awb Pro, hetgeen een fundamenteel beginsel betreft.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit van 5 november 2018 ongegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit van 5 november 2018 wordt ongegrond verklaard.