ECLI:NL:RVS:2020:2248
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ontheffing inburgeringsplicht wegens onvoldoende onafgebroken inschrijving in BRP
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het verzoek van appellant om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen omdat appellant niet aantoonbaar voldoende is ingeburgerd. De minister baseerde dit op het feit dat appellant niet ten minste tien jaar onafgebroken als ingezetene in de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven, zoals vereist in artikel 2.4a van de Regeling inburgering.
Appellant voerde aan dat de vereisten in artikel 2.4a van de Regeling inburgering alternatief en niet cumulatief zijn, mede omdat bij de wetswijziging van 1 juli 2018 het woord 'en' was geschrapt zonder toelichting. Tevens stelde appellant dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst en dat hij volgens schoolverklaringen gedurende de periode van niet-inschrijving in de BRP wel in Nederland verbleef.
De Raad van State oordeelde dat de vereisten in artikel 2.4a cumulatief zijn, gelet op de tekst en de toelichting bij de wetswijziging. De wijziging herstelde slechts verschrijvingen en wijzigde de uitleg niet. Omdat appellant niet onafgebroken tien jaar in de BRP stond ingeschreven, voldeed hij niet aan de cumulatieve voorwaarden voor ontheffing. De bevestiging van taalvaardigheid en het verblijf in Nederland tijdens de niet-inschrijvingsperiode konden dit niet compenseren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht wordt bevestigd.