Uitspraak
Datum uitspraak: 23 september 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van een Liberiaanse vreemdeling die het Nederlanderschap wilde verkrijgen. Hij verblijft in Nederland bij zijn minderjarige Nederlandse kind en heeft sinds 2014 een verblijfsdocument met de aantekening 'Familielid van een burger van de Unie', gebaseerd op artikel 20 van Pro het VWEU, ook wel een Chavez-Vilchez verblijfsrecht genoemd.
De staatssecretaris wees het verzoek af omdat dit verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft en daarom bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland zoals vereist in artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant ongegrond, wat de Afdeling bestuursrechtspraak nu bevestigt.
De appellant voerde aan dat het verblijfsrecht niet als tijdelijk moet worden beschouwd en dat de staatssecretaris geen belangenafweging had gemaakt, wat volgens hem in strijd is met het verbod van willekeur. De Afdeling oordeelt echter dat het Chavez-Vilchez verblijfsrecht een afgeleid verblijfsrecht is, dat eindigt zodra het minderjarige kind meerderjarig wordt of niet langer afhankelijk is. Dit verblijfsrecht is daarmee van tijdelijke aard en kan niet leiden tot een duurzaam verblijfsrecht.
De Afdeling verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waarin is vastgesteld dat dit verblijfsrecht alleen dient ter bescherming van de rechten van de Unieburger en niet als een eigen verblijfsrecht van de derde lander. De Handleiding RWN sluit een belangenafweging uit in dit kader. De Afdeling concludeert dat de staatssecretaris het verzoek terecht heeft afgewezen en dat dit niet in strijd is met het verbod van willekeur.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht.