ECLI:NL:RVS:2020:229
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling beroep ongegrond tegen vertrekopdracht en asielprocedure
De vreemdeling werd bij besluit van 1 oktober 2018 door de staatssecretaris opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Hiertegen stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde op 19 april 2019. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het vertrek van een vreemdeling uit een lidstaat tijdens de behandeling van zijn asielverzoek gelijkstaat aan een impliciete intrekking van dat verzoek, zonder dat een schriftelijke intrekking vereist is. Tevens is de staatssecretaris niet verplicht om de vreemdeling te informeren over de mogelijkheid om in Nederland asiel aan te vragen of een terugnameverzoek bij Duitsland in te dienen.
De grief van de vreemdeling dat de staatssecretaris een terugnameverzoek had moeten indienen en dit in de belangenafweging had moeten meenemen, faalt daarom. De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vertrek uit de Europese Unie blijft in stand.