ECLI:NL:RVS:2020:2399
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toewijzen proceskosten in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 november 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag bevestigde dit in haar uitspraak van 8 april 2020.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de eerste en tweede grief van de vreemdeling geen aanleiding gaven tot vernietiging. Wel stelde de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte het gebrek in de proceskostenvergoeding had gepasseerd zonder de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van het vonnis waarin de proceskosten niet waren toegewezen en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 1575,00 aan proceskosten. Voor het overige werd het vonnis van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1575,00.