ECLI:NL:RVS:2020:2399

Raad van State

Datum uitspraak
8 oktober 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
202002775/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 6:22 AwbArt. 91, tweede lid, Vw 2000Artikel 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toewijzen proceskosten in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 november 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag bevestigde dit in haar uitspraak van 8 april 2020.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de eerste en tweede grief van de vreemdeling geen aanleiding gaven tot vernietiging. Wel stelde de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte het gebrek in de proceskostenvergoeding had gepasseerd zonder de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.

De Raad van State vernietigde daarom het deel van het vonnis waarin de proceskosten niet waren toegewezen en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 1575,00 aan proceskosten. Voor het overige werd het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1575,00.

Uitspraak

202002775/1/V2.
Datum uitspraak: 8 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 april 2020 in zaak nr. 19/7091 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 26 augustus 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in de eerste en tweede grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    In de derde grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft gepasseerd zonder daarbij de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2847, volgt dat de grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling opgekomen proceskosten te veroordelen en wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 april 2020 in zaak nr. 19/7091, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling opgekomen proceskosten te veroordelen;
III.    bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt    w.g. Bossmann
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2020
363-894.