ECLI:NL:RVS:2020:240
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten vergoeding griffierecht in vreemdelingenzaak
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 21 juli 2016 door de staatssecretaris werd afgewezen. Tevens werd het inreisverbod tegen haar verlengd tot twee jaar. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van de vreemdeling ongegrond werd verklaard, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding van het griffierecht had toegekend, ondanks het geconstateerde motiveringsgebrek dat aanleiding gaf tot een proceskostenveroordeling. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank had moeten besluiten tot vergoeding van het griffierecht en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover dit naliet.
De overige grieven van de vreemdeling werden ongegrond verklaard. De Raad van State bevestigde het overige oordeel van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee is het hoger beroep gegrond verklaard en is de vreemdeling financieel gecompenseerd voor de gemaakte kosten in het bestuursrechtelijk traject.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor het nalaten van vergoeding van het griffierecht.