ECLI:NL:RVS:2020:2421
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Sevenster
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aanwijzing en bevriezing tegoeden wegens onvoldoende onderbouwing betrokkenheid terroristische organisatie
De minister van Buitenlandse Zaken had appellant aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is, vanwege vermeende betrokkenheid bij de terroristische organisatie Devrimci Halk Kurtuluş-Cephesi (DHKP/C). Dit leidde tot bevriezing van al zijn financiële middelen. Appellant voerde onder meer aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de bronnen, dat de redenen onvoldoende concreet waren en dat de bevriezing een onrechtmatige inmenging in zijn vrijheid van meningsuiting vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders. Uit het geheime AIVD-dossier bleek onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant structureel fondsen werft voor DHKP/C of een vaste rol binnen de organisatie heeft. De minister had daarom niet in redelijkheid kunnen besluiten tot aanwijzing en bevriezing.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant gegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van voldoende concrete onderbouwing bij bevriezingsmaatregelen en de zorgvuldige afweging van fundamentele rechten zoals vrijheid van meningsuiting.
Uitkomst: Het besluit tot aanwijzing en bevriezing van appellant wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van zijn betrokkenheid bij DHKP/C.