ECLI:NL:RVS:2020:2478
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens onjuist gebruik bestuurderskaart in wegvervoer
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde op 3 april 2018 een bestuurlijke boete van €44.000 op aan appellante vanwege 10 overtredingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, omdat een chauffeur zonder geldige bestuurderskaart had gereden. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In hoger beroep betoogde appellante dat de minister ten onrechte aannam dat Verordening 561/2006 van toepassing was, omdat het vervoer binnen Nederland had plaatsgevonden en dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd. Ook stelde zij dat de boete gematigd moest worden op grond van een nieuwe beleidsregel uit 2019. De Afdeling oordeelde dat het aanvullend boeterapport, op ambtseed opgemaakt, voldoende bewijs leverde dat het vervoer binnen Nederland had plaatsgevonden en dat de bestuurder zonder geldige kaart reed.
Verder stelde de Afdeling vast dat appellante onvoldoende toezicht had gehouden, omdat zij de verlopen bestuurderskaart niet tijdig had opgemerkt. Wel werd geoordeeld dat op grond van de nieuwere, gunstigere beleidsregel de boete gematigd moest worden tot €10.875. De eerdere uitspraak en het besluit van de minister werden vernietigd, de boete vastgesteld op dit lagere bedrag en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd van €44.000 naar €10.875 en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.