ECLI:NL:RVS:2020:2502

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2020
Publicatiedatum
23 oktober 2020
Zaaknummer
202005431/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 juli 2017 de aanvraag van de vreemdeling voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 18 maart 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die op 9 september 2020 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State constateerde dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend, aangezien de termijn voor het instellen van hoger beroep op 7 oktober 2020 eindigde en het beroepschrift daarna pas werd ontvangen. De vreemdeling heeft geen redenen aangevoerd om de overschrijding te rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees de staatssecretaris geen proceskosten toe. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 23 oktober 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep.

Uitspraak

202005431/1/V3.
Datum uitspraak: 23 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 september 2020 in zaak nr. 20/3023 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag voor de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 maart 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 7 oktober 2020. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. De vreemdeling heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2020
765.