ECLI:NL:RVS:2020:2652

Raad van State

Datum uitspraak
5 november 2020
Publicatiedatum
5 november 2020
Zaaknummer
202004502/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier

De vreemdeling had bij besluit van 19 februari 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling niet had toegelicht op welk punt de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn en waarom. Ondanks een termijnverlengeningsbrief om alsnog nadere uitleg te geven, maakte de vreemdeling hier geen gebruik van.

Daarom kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep en verklaarde zij het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door lid H.G. Sevenster, terwijl het lid van de enkelvoudige kamer verhinderd was de uitspraak te ondertekenen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

Uitspraak

202004502/1/V2.
Datum uitspraak: 5 november 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 juli 2020 in zaak nr. 19/7297 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de eisen van de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft de vreemdeling niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak betrokken dat de vreemdeling in hoger beroep is gegaan tegen zijn veroordeling door de strafrechter en dat hij zegt dat de veroordeling op een misverstand berust. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom dit er niet toe leidt dat de vreemdeling zijn verblijfsvergunning moet krijgen. De vreemdeling legt in zijn hoger beroepschrift niet uit waarom die uitleg van de rechtbank volgens hem niet juist is.
1.1.    In de brief van 19 augustus 2020 heeft de Afdeling de vreemdeling tot 11 september 2020 de mogelijkheid gegeven toch nog uit te leggen met welk onderdeel van de rechtbankuitspraak hij het niet eens is en waarom dat zo is. Van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2020
572-897.