ECLI:NL:RVS:2020:2670

Raad van State

Datum uitspraak
9 november 2020
Publicatiedatum
10 november 2020
Zaaknummer
202005936/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft bij besluit van 18 februari 2020 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 2 november 2020 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. De vreemdeling verzocht om te worden beschermd tegen uitzetting en om opvang en verstrekkingen te ontvangen zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat op basis van het voorlopig oordeel niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd.

Gezien de belangen van zowel de vreemdeling als de staatssecretaris is besloten geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is derhalve afgewezen en de staatssecretaris is niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 9 november 2020 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter J.Th. Drop.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is afgewezen.

Uitspraak

202005936/2/V3.
Datum uitspraak: 9 november 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 2 november 2020 in zaak nr. NL20.4833 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 november 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.    Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Drop    w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2020
47.