ECLI:NL:RVS:2020:268
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake verzoek op grond van artikel 35 Wbp over persoonsgegevensverwerking
De appellant verzocht de minister voor Rechtsbescherming op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) om mededeling of zijn persoonsgegevens worden verwerkt. De minister verstrekte een overzicht van de gegevens die door Dienst Justis zijn verwerkt, maar de appellant was het hier niet mee eens en stelde dat het overzicht onvolledig en onbegrijpelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij de Raad van State. De appellant betoogde onder meer dat het overzicht niet voldeed aan artikel 35, tweede lid, Wbp, omdat het niet alle gegevens bevatte, zoals een eerdere verstrekking en een netwerktekening, en dat het doel van de verwerking niet duidelijk was omschreven.
De Raad van State oordeelde dat het overzicht volledig en begrijpelijk was en dat de minister voldoende informatie had verstrekt over het doel van de verwerking. De appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een eerdere verstrekking had plaatsgevonden of dat het overzicht onjuist was. Ook was het niet vereist om de netwerktekening te verstrekken. De rechtbank had terecht het beroep ongegrond verklaard en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.