ECLI:NL:RVS:2020:2682
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verschoonbaarheid termijnoverschrijding bij bezwaar tegen afwijzing schadefonds geweldsmisdrijven
Bij besluit van 21 januari 2019 wees de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van appellante om een uitkering af. Appellante diende bezwaar in na de wettelijke termijn van zes weken, en beriep zich op verschoonbaarheid van deze termijnoverschrijding vanwege haar ernstige lichamelijke en psychische letsels na een mishandeling.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en oordeelde dat appellante ondanks haar situatie in staat was tijdig bezwaar te maken, mede omdat zij op 27 december 2018 zelfstandig een aanvraag had ingediend. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door haar psychische toestand niet begreep dat het niet tijdig indienen van bezwaar tot niet-ontvankelijkheid zou leiden en dat de CSG onvoldoende duidelijk had gecommuniceerd over de gevolgen van termijnoverschrijding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het bestuursorgaan niet verplicht is te wijzen op de gevolgen van termijnoverschrijding en dat appellante geen objectieve informatie had overgelegd waaruit bleek dat zij redelijkerwijs niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Gezien het dwingende karakter van de bezwaartermijn kan slechts in zeer bijzondere gevallen een uitzondering worden gemaakt, wat hier niet het geval was.
Daarom bevestigde de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de afwijzing van de uitkering is niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.