ECLI:NL:RVS:2020:2691
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- H.J.M. Baldinger
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ministerieel besluit goedkeuring administratieve scheiding DAEB en niet-DAEB Vestia
De minister heeft op 18 december 2017 goedkeuring verleend aan Stichting Vestia voor de administratieve scheiding tussen diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en overige werkzaamheden (niet-DAEB). Diverse gemeenten maakten bezwaar vanwege de plotselinge vermindering van de sociale woningvoorraad door de overheveling van woningen van DAEB naar niet-DAEB, en prefereren een druppelsgewijze aanpak.
De rechtbank verklaarde het beroep van de colleges ongegrond en bevestigde het besluit van de minister. De colleges stelden hoger beroep in en voerden aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de negatieve volkshuisvestelijke gevolgen en dat de belangen van de gemeenten onvoldoende waren meegewogen. Ook werd betoogd dat de financiële belangen van Vestia niet zwaarder mochten wegen dan de lokale volkshuisvestelijke belangen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister terecht het verbeterplan van Vestia en de financiële continuïteit als zwaarwegende factoren heeft meegewogen. De minister heeft de lokale volkshuisvestelijke belangen erkend en betrokken, maar deze konden niet doorslaggevend zijn gezien de financiële situatie van Vestia. De druppelsgewijze overheveling zou geen wezenlijk ander resultaat opleveren dan de ineens overheveling, en zou leiden tot extra financiële druk en onzekerheid.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister heeft voldoende onderzoek gedaan, de belangenafweging zorgvuldig gemaakt en het besluit zorgvuldig voorbereid. Het proces van verkoop van Vestiabezit aan andere woningcorporaties in de betrokken gemeenten staat los van deze procedure.
Uitkomst: Het hoger beroep van de colleges wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.