ECLI:NL:RVS:2020:2783
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.Th. Drop
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering vuurwerkverkoopvergunning wegens onvoldoende motivering
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde op 8 december 2017 de aanvraag van appellant voor een vuurwerkverkoopvergunning vanwege overtredingen van het Vuurwerkbesluit, waaronder het aantreffen van professioneel vuurwerk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het college de weigering op redelijke gronden baseerde, mede gezien eerdere overtredingen en het belang van openbare orde en veiligheid.
Appellant stelde in hoger beroep onder meer dat de APV niet aanvullend mocht reguleren op het Vuurwerkbesluit en dat het college na oplegging van een last onder dwangsom niet meer bevoegd was de vergunning te weigeren. Ook voerde hij aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de vergunning geweigerd werd, ondanks het beëindigen van overtredingen en getroffen maatregelen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het Vuurwerkbesluit minimale waarborgen bevat en dat aanvullende regels in de APV zijn toegestaan, zodat het college bevoegd was de vergunning te weigeren. Wel stelde de Afdeling vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de weigering noodzakelijk was, gelet op de directe beëindiging van overtredingen en de belangen van appellant en derden. De rechtbank had dit niet onderkend.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college vernietigd, en werd het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegewezen aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot weigering van de vuurwerkverkoopvergunning wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.