ECLI:NL:RVS:2020:2786
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding na onzorgvuldig besluit bestuursorgaan in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 augustus 2019 een aanvraag van de vreemdeling af om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 Vw Pro 2000. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 12 september 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 8 april 2020 ongegrond.
De rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris onzorgvuldig had gehandeld door het besluit op bezwaar te nemen voordat de vreemdeling de gelegenheid had gekregen om haar gronden aan te vullen. Desondanks oordeelde de rechtbank dat de vreemdeling hierdoor niet in haar belangen was geschaad en wees zij een proceskostenvergoeding af.
In hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat de rechtbank had moeten oordelen dat de staatssecretaris de proceskosten moest vergoeden. De Raad van State stelde vast dat het zorgvuldigheidsgebrek voldoende aanleiding gaf voor vergoeding van de proceskosten, vernietigde het vonnis voor zover het hierover oordeelde en bevestigde de rest van het vonnis.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van € 1.575,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 1.575,00 aan proceskosten wegens onzorgvuldig handelen.