ECLI:NL:RVS:2020:2844

Raad van State

Datum uitspraak
2 december 2020
Publicatiedatum
2 december 2020
Zaaknummer
202003050/3/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft bij besluit van 29 mei 2019 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De rechtbank heeft dit besluit op 14 mei 2020 gedeeltelijk vernietigd vanwege een onvoldoende toetsing aan artikel 3 EVRM Pro en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris heeft op 5 juli 2020 opnieuw de aanvraag afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en het behoud van voorzieningen gedurende de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek op 2 oktober 2020 en opnieuw op 2 december 2020 afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat uitzetting naar Libanon een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt, waardoor uitzetting niet zal plaatsvinden. Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang en het feit dat het besluit van 5 juli 2020 niet waarschijnlijk zal worden vernietigd, zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos op 2 december 2020.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.

Uitspraak

202003050/3/V2.
Datum uitspraak: 2 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 mei 2020 in zaak nr. NL19.12970 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 mei 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de toetsing aan artikel 3 van Pro het EVRM, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 5 juli 2020 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
De vreemdeling heeft hiertegen bij de rechtbank beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit beroep en verzoek zijn door de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Bij uitspraak van 2 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het verzoek van de vreemdeling tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. Ook heeft hij de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet, dan wel dat de verstrekkingen, voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, worden beëindigd gedurende de behandeling van het door de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden beroep.
2.    De staatssecretaris heeft in zijn besluit van 5 juli 2020 te kennen gegeven dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Libanon een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en dat de vreemdeling om die reden dan ook niet zal worden uitgezet naar Libanon. Nu er verder op dit moment geen grond is om aan te nemen dat het besluit van 5 juli 2020 zal worden vernietigd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen.
3.    Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Tibold
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2020
664.